12. De 2e Politionele actie 19 december 1948 – 5 januari 1949




We zijn ongeveer een jaar in Pematang-Siantar geweest.
Bij het begin van de 2e politionele actie bleef een gedeelte van onze groep van 75 man in Siantar achter en gingen we richting Turutung. Daar werd een groep afgezet, toen verder naar Sibolga, ook weer een deel afgezet en een groep die naar Padang Sidempuan ging.

Die reis was er één vol gevaren, bruggen die ondermijnd waren, vernield of totaal verbrand.
Sluipschutters langs de weg. Het gebied dat we doormoesten was één en al bergen met hele smalle wegen die regelmatig vernield werden en zo’n 1400 bochten zodat je nooit wist wie of wat er voorbij de volgende bocht op je stond te wachten.

Ik werd gelegerd in Sibolga.

We zaten daar in de tijd van de natte moesson. Als ik dan patrouilles af moest zetten in de stromende regen en ze met hun capes om de bergen in zag trekken, was ik blij dat ik weer in de cabine van mijn wagen kon kruipen. In Tarutung was het bijvoorbeeld 's avonds ontzettend koud op 1200 meter hoogte en kon je niet zonder dikke trui. En de Malariavliegen waren dan wel of niet van de lucht.

Door mijn werk als chauffeur kwam ik veel bij andere legerplaatsen zoals Prapat, Kabanjahe, Siborongborong, Tarutung. Ik leerde veel jongens kennen, de meesten oppervlakkig, verder dan een praatje kwam je vaak niet.

Maar daar in Tarutung verloor ik de eerste bekende. Het was een jongen van de kantine. Henk heette hij. In de week daarvoor waren er al drie maten van hem doodgeschoten en toen ik in het kampement kwam binnenrijden was Henk bij die graven bezig. Hij stond daar stenen te breken, daar versierde hij de graven mee zoals een banketbakker op een taart zou doen. Naast die drie graven had hij een nieuwe graf gegraven. Op mijn vraag “waarom” antwoordde hij : “Ik ga morgen een week met verlof naar Medan, mocht er in de tussentijd iemand sneuvelen dan is het graf alvast klaar”.
De volgende dag werd Henk, acht kilometer buiten Tarutung, doodgeschoten, en zo kwam hij in zijn eigen graf te liggen…..

Hinderlaag



De 66 kilometer tussen Tarutung en Sibolga heb ik enkele tientallen keren gereden. Die rit duurde gemiddeld zo’n vier uur.
En ieder konvooi werd wel ergens een keer beschoten.

Op de weg tussen Sibolga en Tarutung lag een kleine kampong van een paar huizen. En elke keer als ik daar langs kwam, zat daar aan de rand een oude Indiër een strootje te roken die dan zijn hand op stak en riep: “Tabee Toean”. Je groette dat vriendelijk terug.

Tot op een dag, ik reed als vijfde wagen in een colonne, toen we die kampong naderde, stonden de wagens voor de kampong stil en zag ik die oude man met een nekschot op de grond liggen. Op mijn vraag waarom dat nou nodig was wees de officier naar de bergtop verderop. Daar zag ik een witte doen heen en weer zwaaien. Die oude man had op de één of andere manier geseind naar de heuvels dat er een colonne aankwam. Helaas was het voor hem te laat en had de eerste wagen het seinen gezien.We hebben toen mortiervuur gelegd op de bergtop. En toen we later langs reden kregen we dan ook geen vuur. Maar als dat seinen niet ontdekt was hadden we zo in een hinderlaag gereden.

Guerrilla oorlog



Het was een guerrilla oorlog, zoals Tito in Joegoslavië gevoerd had en die de Amerikanen later in Vietnam zouden beleven.

Konvooien van de ene naar de andere plaats waren zwaar en gevaarlijk. Die konvooien werden vooraf gegaan door een gevechtswagen en dan om de tien wagens een gevechtswagen met kanonnen of mortieren.
In elke bocht was er vijandelijk vuur mogelijk, vooral op plaatsen waar stapvoets gereden moest worden waren mannen de zittende schietschijven voor de, op de berghelling achter het groen verscholen, vijand.
Als er schoten vielen waren er twee mogelijkheden: Zo snel mogelijk doorrijden of snel van de wagens af en dekking zoeken. Met behulp van brenguns en mortiervuur kon je dan proberen de vijand te verjagen. Maar ze achterna gaan, de jungle en de bergen in, was onbegonnen werk.
In het begin werden de colonnes bestookt vanaf één plek waardoor het mogelijk was om ons vuur hierop te concentreren.
Later veranderde Kolonel Kawilarang, de leider van de TNI daar, en later Generaal bij Soekarno, zijn strategie en plaatsten zijn troepen zo dat wij als colonne van verschillende plaatsen tegelijkertijd onder vuur werden genomen.
Dit maakte de verwarring onder de jongens groter. De enige mogelijkheid om de vijand uit te schakelen was om ‘zuiveringsacties’te houden bij de kampongs, waarbij iedereen die verdacht werd gevangen werd genomen.

30 mei 1949


Tijdens mijn legering in Sibolga moest ik een kies laten trekken en daarvoor moest ik naar Medan, een reis van zo’n 351 km enkele reis.
Met een briefje van mijn sergeant ben ik me toen gaan melden bij de colonnecommandant van een colonne met dertig auto’s die die dag zouden vertrekken.
Deze raadde me aan ergens in een auto een plaatsje te zoeken. Dat moest snel gebeuren want ze stonden op het punt om te vertrekken. Ik liep snel de wagens langs en vond nog een plekje in de achtste wagen naast de chauffeur. Zo vertrokken we naar Turutung. Ik raakte aan de praat met de chauffeur die me vertelde dat zes weken daarvoor hij in z’n auto was beschoten, hij was in z’n been geraakt, maar de Ambonese dominee die naast hem zat was doodgeschoten…

Dat was op deze zelfde weg, een weg die loopt als een echte bergweg in lussen en haarspeldbochten, met aan de ene kant de bergwand en de andere kant het ravijn waarvan je die diepte vaak niet kon zien door de wilde begroeiing. We waren nauwelijks op weg of we hoorden vuur. Die jongen werd nerveus en in zijn zenuwen reed hij in een U-bocht tegen de bergwand. Op dat moment werd al het vuur op ons gericht. Als ze ons konden stoppen dan kon de rest van de colonne nooit verder want keren of er langs rijden was onmogelijk op deze smalle bergpas. Dat was bij kilometerpaal 21.

De eerste zeven auto’s konden zich in veiligheid brengen achter de volgende bergwand en de rest van de colonne was nog niet in zicht. Alleen de zes wagens achter ons stonden in de vuurlijn.

-- vervolg --