13. Ik zou willen dat ik het kon vergeten!




De chauffeur schreeuwde in paniek: “Wat moet ik doen?”. Ik zag de jongens, die in de wagen achter ons zaten, uit een ooghoek uit de wagens springen en zich tegen de bergwand drukken om uit de vuurzone te blijven.
Op dat moment riep ik tegen de chauffeur: “terug steken”, en zag ik mezelf weer tien jaar jonger als kleine jongen in de Kerkstraat. Mijn hele leven flitste aan me voorbij. Toen zag ik ineens die jongen aan mijn kant van de cabine van de berg naar beneden komen. Hij had de bedoeling om ons uit de cabine te schieten. Het was hij of ik, en ik was net iets sneller.
Op een afstand van zo’n twintig meter leegde ik de hele houder van de stengun op hem. Daar lag hij, links op zijn buik met zijn geweer los naast hem.

Ik zou willen dat ik het kon vergeten…….

We kregen de wagen weer los, hoe is me niet meer bekend, alles wat ik weet is dat we zwijgend zijn doorgereden naar Turutung. In een bizarre roes kwamen we daar aan. Daar zag ik voor het eerst de kogelgaten, het waren er zes, drie achter mij in de cabine, dat scheelde maar een halve meter, en drie aan het eind van de laadbak. In totaal werden er 31 kogelgaten in de gehele colonne geteld.

Ik nam afscheid van de chauffeur die verder moest en ik bleef alleen in Turutung achter en met niemand om mee te praten. Ik had een jongen doodgeschoten, een jongen die streed voor de vrijheid van zijn land, zoals ik dat in de oorlog tegen de Duitsers had willen vechten. Wat had mij het récht gegeven om die jongen te doden?


Ik was opgevoed als Nederlands Hervormd en het Gebod ‘U zult niet doden’. Ik had dat overtreden en er was niemand waar ik hierover mee kon praten. Nu nog zou ik graag de chauffeur van toen nog eens ontmoeten, als hij dit ooit eens mocht lezen.

Een paar dagen later kwamen een paar jongens van een onbekend onderdeel naar me toe en een blonde jongen schudde mij de hand. Hij zei: “Ik moet je feliciteren dat je nog leeft. Het regende kogels om je auto heen, ik had nooit verwacht dat je er nog levend uit zou komen”.
Dat een vreemde zo meeleefde had ik nog nooit meegemaakt….



In die tijd had je veel behoefte aan een gesprek met een dominee. Maar heb er geen een gezien. Wel was er een aalmoezenier en daar kon ik niet mee praten, die mochten we geen van allen.
Deze aalmoezenier had het nodig gevonden om de escapades van één van de jongens, in een dronken bui met een inlands meisje, aan zijn vrouw in Holland te schrijven wat een echtscheiding voor hem heeft veroorzaakt.
Je kunt je dan ook voorstellen dat we die man niet konden pruimen.
Pas geleden heb ik deze man nog ontmoet, tijdens een herdenkingsbijeenkomst waar hij een herdenkingsrede hield…. Proost!!

Augustus 1947



Ik kreeg met Mandoer Jaap Bloemkool de opdracht om met de wagen vijftien gevangenen uit Pemantang Siantar op te halen om de weg bij Prapat te herstellen.

Terwijl wij het ons gemakkelijk maakten tegen de bergwand waar we goed zicht hadden op de werkende gevangenen, kwamen er een jeep en twee open drietonners langs rijden. Daarin zaten Hollandse soldaten met drie Japanners die gekleed waren in groen uniform zonder distinctieven.
Later hoorden we dat het Japanse Generaals waren.
De wagens reden aan ons voorbij en even later zag ik dat op een weiland de wagens stoppen en de Japanners tegen daar staande palen werden gezet. Twee ervan werden aan de palen vastgebonden. We hoorden vuur en ik zag er één van vallen en de anderen als een zoutzak aan de palen hangen.
Later besef ik dat je zo afgestompt was dat ik daar nauwelijks op reageerde. Iemand die nog nooit in zo’n oorlog heeft gezeten kan niet begrijpen wat er in je omgaat en in wat voor gemoedstoestand je bent. Na de reparatie van het werken aan de weg hebben we de gevangenen weer teruggebracht naar de gevangenis.

Verlof



Een verlof kwam niet vaak voor. Een verlof dat ik me nog goed herinner was in december 1949. We kregen een week verlof dat we zouden doorbrengen in Prapat. Daar had onze commandant een villa waar we gebruik van mochten maken.

Op de weg daarheen stopten we bij een kampong waar we thee dronken bij een Chinees eethuisje. Een militair van een ander onderdeel die met ons meeging op verlof vroeg aan de chauffeur of hij een stukje mocht rijden. Bij een brug aangekomen moest hij uitwijken voor een Chinese autobus die ons tegemoet kwam. Hij raakte de macht over het stuur kwijt en we gingen zijdelings over de kop en kwamen enkele meters lager in het ravijn terecht. We hadden vier gewonden en twee zwaar gewonden waaronder mijn maatje Frans die een schedelbasisfractuur had. Hij werd afgevoerd per vliegtuig naar het hospitaal in Batavia. De rest kwam er af met wat kneuzingen.

Later bleek dat die jongen helemaal geen rijbewijs had.

Frans is er wel weer boven op gekomen maar had sinds die tijd last van toevallen. Hij werd dan ook naar Holland gebracht. Daar is hij niet lang daarna overleden omdat hij zo’n toeval kreeg terwijl hij in bad zat.  

-- vervolg --