7. Scheepspraet




We kregen op het schip een boekje uitgereikt dat de titel had “Scheepspraet, zijnde een reisbeschrijving met tal van wetenswaardigheden en nuttige wenken ten profijte van de Nederlandsche militairen die naar Indië scheep gaan.” Daarin werd het schipperslatijn uitgelegd en het verschil tussen bak en stuurboord, waar je wel en niet mocht komen aan boord, en het reglement van orde. Én de dagindeling aan boord:
6.00 uur reveille,
7.30 ontbijt,
10.00 inspectie,
middageten om 12.00 uur.

Van 14.00 tot 16.00 uur verplichte stilte die, hoe verder we naar de evenaar kwamen, werd gebruikt om een uiltje te knappen.
Om 18.00 uur avondeten,
20.00 uur het weer ophangen van de hangmatten en
om 22.00 uur was het “lichten uit”.

We voeren via de straat van Gibraltar, de Middellandse Zee en het Suez-kanaal, over de Rode Zee (waar het bloed en bloedheet was), langs Afrika en Ceylon naar Indië.

In het boekje “Scheepspraet” stond een hele beschrijving van de reis als een toeristische attractie. Neem van mij aan dat dit niet het geval was. Zoveel man op een kleine ruimte en in een hitte die we niet gewend waren.

Op 25 mei kwamen we aan op Sabang, een eilandje boven Sumatra, daar mochten we een paar uur passagieren. De volgende avond om zes uur, in het half schemer, kwamen we aan bij Belawan op Sumatra. Er werden een paar ‘tafels’ aangewezen die de order kregen om zich gereed te maken voor ontscheping. Daar was mijn tafel dus ook bij. We kregen stenguns uitgereikt en zo gingen we met zo’n honderd man in drie landingsboten voor de haven van Belawan. Het schip kon de haven niet in door de gezonken schepen en verzanding van de haven.

In het landingsvaartuig gezeten leek het alsof het schip mijn kant overhelde. Al de 1300 overgebleven opvarenden stonden ons uit te zwaaien. Zij gingen door naar Java. Ik vergeet nooit meer het gevoel van vaderlandsliefde en saamhorigheid dat me overviel op het moment dat boven het gruis van de zee het lied ‘Tabee wij moeten, elkander groeten’ ons vanaf het schip werd toegezongen.
Ik zat daar met een brok in m’n keel en was me heel bewust van de vreemde omgeving waar we in het snel vallende duister op af voerden.<

Van Belawan werden we in wagens naar Medan (hoofdstad Sumatra) gebracht. Dat is zo’n twintig kilometer. De jongens die er geweest zijn zullen nog weten dat dit de ‘dodenweg’ genoemd werd omdat op die weg voortdurend vuurgevechten waren. We werden gelegerd even buiten Medan in een tabaksfabriek aan de Boolweg, vlak naast het Hospitaal.

Onze slaapplaatsen waren daar gewoon op de grond.
Mei_47__ms_indrapoera_omgeving_gibraltar  mei_1947__indrapoera_op_weg_naar_Indie
Er werd appèl gehouden en daarna was het inrukken, echter ik bleef als enige weer niet genoemde over op de appèlplaats. Ik was wéér onbekend en hoorde nergens bij…..

De volgende dag ben ik wat rond gaan kijken in de stad. Er waren verschillende uitgaansgelegenheden voor de militairen, bioscopen en cafés en een kantine op het terrein.

Ik ben toen naar de Vaandrig gegaan en heb gevraagd of ik niet met een wagen kon rijden. Soldaten naar de stad brengen en ophalen en boodschappen doen voor de kantine, ik had mijn groot militair rijbewijs immers. Hij gaf me toen een briefje voor de sergeant die mij een wagen ter beschikking moest stellen. Dat heb ik twee maanden gedaan tot de Eerste Politionele Actie werd aangekondigd.

Volgens de officiële papieren in Den Haag hoorde ik op 1 april 1947 bij de 6e Infanterie brigade afdeling werkplaats. (maar dát kwam ik pas in Holland te weten).

-- vervolg --